Kostuumstress!

Kostuumstress!

‘Mam, ik ga tijdens carnaval verkleed als gekke hoedenmaker’. Oké: stress! Want mijn negenjarige dochter weet niet alleen precies wat ze wil, ze is ook nog eens erg perfectionistisch. ‘Ik wil een gekleurde jurk met allemaal strikken en knopen. En een gekke hoed met versiersels erop.’

Mijn dochter is het meisje dat bijna nooit een tekening voor een ander maakt. Omdat ze niet goed genoeg zijn: ‘Zet er maar een kruis doorheen’. Of juist té goed: ‘Dit is de mooiste tekening die ik ooit gemaakt heb. Die hang ik op mijn kamer.’

Ze kan het zichzelf daarmee soms knap lastig maken, mijn dochter. Maar ook mij. Want ik ben geboren met twee linkerhanden. Ik ben degene bij wie de vloer na de maaltijd vol broodkruimels of stukjes aardappel ligt. Bij wie structureel wondjes op de hand staan vanwege het kaasschaven in de duim. En die zich een enorme schlemiel voelt omdat de draad maar niet in die naald wil.

 

‘Misschien kan ik mijn moeder lief aankijken…’

 

Maar ik ben dus ook degene die aan de bak moet nu. Want mijn meisje gaat echt niet meer in een prinsessenjurk de deur uit. Haar (gekochte) Halloweenjurk is te klein en die van Roodkapje – die haar zó schattig stond – is in een onbewaakt moment aan een vriendinnetje gedoneerd.

Stress dus. Misschien kan ik samen met dochterlief een jurkje kopen bij Zeeman. En knopen en stukjes stof in alle kleuren van de regenboog. Oh ja, naald en draad zijn ook handig. Misschien kan ik mijn moeder lief aankijken en haar smeken me uit de brand te helpen. Of ten minste vragen om die verrekte draad in die naald te krijgen.

Gelukkig wil mijn andere dochter zich tijdens carnaval verkleden als schoonmaakster. Met plumeau en schuursponsje. En mijn zoon draagt niets liever dan voetbaltenues. Die vis ik als volleerd moeder met duim en wijsvinger – en zonder te struikelen – uit de kledingkast. Meestal dan.